Ruim drie maanden voor het einde van de wachttijd Ziektewet kan de werknemer een WIA-aanvraag indienen bij het UWV. Bij de beoordeling van de WIA-aanvraag beoordeelt het UWV het volgende:
- is de aanvraag tijdig ingediend
- is de aanvraag volledig en
- heeft de werkgever voldoende re-integratieinspanningen verricht.
Als de eerste vragen positief zijn beoordeeld dan volgt de feitelijke vaststelling van het recht van de werknemer op een uitkering.

Het Poortwachtercentrum is in de afgelopen weken door verschillende werkgevers benaderd in verband met beoordeling van de re-integratieinspanningen. Een tweetal beslissingen viel daarbij op. Het gaat om gevallen waarbij het UWV haar beslissingen baseerde op de beoordeling van de verzekeringsarts en waarbij de werknemer beter werd verklaard of waarbij er verschil van inzicht bestaat tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts met betrekking tot de beoordeling van de ziekte en belastbaarheid van de werknemer. In laatst genoemd geval betekent het dat de verzekeringsarts het niet eens is met de FML van de bedrijfsarts en dat vervolgens de volgende redenering wordt gevolgd: “als de FML niet correct is dan zijn alle daarop gebaseerde adviezen en inspanningen niet deugdelijk en dus de re-integratieinspanningen onvoldoende”.

Voorop gesteld dient te worden dat het de verzekeringsarts is die bepaald of en in welke mate een werknemer ziek is en dat het de werkgever is die verantwoordelijk voor de re-integratie van zijn werknemer.

De vraag is in hoeverre een mogelijke fout of verkeerde inschatting van een door de werkgever ingehuurde deskundige de werkgever aangerekend mag worden. In elk geval is uit de beslissingen van het UWV op te maken dat de verantwoordelijkheid zonder enige nuance aan de werkgever wordt toegerekend. Deze benaderingswijze is in overeenstemming met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (LJN: BK3713). De Raad overwoog als volgt: “Met betrekking tot de grief van betrokkene dat haar geen verwijt treft, omdat zij het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige heeft gevolgd en niet zelf op de stoel van de bedrijfsarts kan gaan zitten om te beoordelen of haar werkneemster op medische gronden haar werk wel of niet kan hervatten, overweegt de Raad het volgende. De Raad is met appellant van oordeel dat artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, artikel 7:658a BW, de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar en de Beleidsregels, in onderling verband bezien, beogen te bereiken dat, nadat een werknemer wegens ziekte of gebrek is uitgevallen, de werkgever in samenwerking met de arbodienst gaat onderzoeken of er direct dan wel op termijn mogelijkheden bestaan om de werknemer in het bedrijf van de werkgever dan wel in andere passende arbeid te doen verrichten en indien is gebleken dat dit niet tot de mogelijkheden behoort - zeker ter gelegenheid van de evaluatie van het eerste ziektejaar (het opschudmoment) - onderzoekt wat daartoe de mogelijkheden zijn in het bedrijf van een andere werkgever. Daarbij is appellant er naar het oordeel van de Raad terecht van uitgegaan dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij betrokkene is gelegen. In dat verband wijst de Raad op de Nota naar aanleiding van het verslag behorende bij de Wet tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 in verband met een gewijzigde organisatie van de deskundige bijstand, waarin wordt gesteld: “De werkgever is en blijft verantwoordelijk voor de reïntegratie met inbegrip van de werkzaamheden van degene die hij daarbij inschakelt. Indien het UWV de WAO-aanvraag afwijst en de werkgever het loon langer moet doorbetalen, kan het zijn dat de oorzaak van de onvoldoende re-integratie-inspanningen bij de begeleidende arbodienst of andere deskundige (bedrijfsarts en/of ingeschakelde derde) ligt. In dat geval kan de werkgever de betrokken dienstverlener civielrechtelijk aansprakelijk stellen.” (TK 2004-2005, 29 814, nr. 6, blz. 20). Met de Wet verbetering poortwachter en de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 heeft de regering niet met deze koers willen breken, maar heeft zij de verantwoordelijkheid van de werkgever en de werknemer verder versterkt door voort te bouwen op hetgeen op dit punt al was bereikt (TK 2003-2004, 29 231, nr. 3, blz. 16). De verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer impliceert verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde diensten door ingeschakelde deskundigen, zoals de arbodienst. De grief van betrokkene dat zij redelijkerwijs mocht vertrouwen op het oordeel van haar eigen deskundige, kan dan ook niet slagen.”

Het gevolg van een dergelijke toerekening is dat de werkgever een second opinion zou moeten vragen op de bevindingen van de bedrijfsarts of een deskundigenoordeel bij het UWV om zich in te dekken tegen een mogelijke loonsanctie.

Verwacht mag worden dat er bij het beoordelen van de inspanningen van de werkgever wordt uitgegaan van hetgeen gegeven de omstandigheden in redelijkheid van de werkgever mag worden verwacht en niet de risicoaansprakelijkheid die in de wet en de jurisprudentie is opgenomen. Uitgaande van de risicoaansprakelijkheid dreigt er een praktijk te ontstaan waarbij een meningsverschil tussen de verzekeringsarts en de bedrijfsarts op een bijna mechanische wijze leidt tot de doelredenering dat de op de vermeend verkeerde diagnose van de bedrijfsarts gebaseerde verdere adviezen en activiteiten – bijvoorbeeld arbeidsdeskundig advies en inzetten spoor 2 – tot een onvoldoende voor de reïntegratieinspanningen van de werkgever zal leiden.

Als u met dergelijke beslissingen wordt geconfronteerd dan is het verstandig om contact met het Poortwachtercentrum op te nemen voor advies en/of ondersteuning. Vanzelfsprekend is het beter om in een eerder stadium uw dossier samen met het Poortwachtercentrum door te nemen en tijdig de benodigde acties of interventies in te zetten.